Archief

Nieuws over ‘de pil’

4 juli 2018
Met dank aan de vrouwelijke HEBON deelnemers is er meer duidelijkheid ontstaan over de veiligheid van de anticonceptie pil voor BRCA1 mutatie draagsters.

Bij vrouwen met een mutatie in het BRCA1 of BRCA2 gen begint het risico op borstkanker al vanaf het 25e jaar langzaam toe te nemen. De vraag in dit in JNCI Cancer Spectrum gepubliceerde onderzoek was of gebruik van ‘de pil’ deze toename versnelt. Bij vrouwen zonder mutatie is namelijk bekend dat het risico op borstkanker tijdens pilgebruik iets is verhoogd. Het onderzoek laat zien dat er voor vrouwen tussen de 40 en 50 jaar geen verhoogd risico is. Voor jonge BRCA1 mutatie dragers is het advies: gebruik de pil niet te lang. Voor BRCA2 mutatie dragers zijn de bevindingen minder eenduidig, maar kan een verhoogd risico niet uitgesloten worden.

 
Voor vrouwen tussen 40 en 50 jaar was het borstkanker risico na pilgebruik niet verhoogd, dit blijkt uit het meest betrouwbare prospectieve (vooruit kijkende) onderzoek. Prospectief onderzoek onder BRCA1/2 mutatiedraagsters kan alleen plaatsvinden, nadat een genetische test heeft uitgewezen dat een vrouw een genetische verandering in het BRCA1 of BRCA2 gen draagt. Zo’n test vindt gemiddeld op 41 jarige leeftijd plaats.

Het verband tussen pilgebruik en het risico op borstkanker voor jongere vrouwen kon alleen retrospectief (achteruit kijkend) worden bestudeerd. Dit soort onderzoek is iets minder betrouwbaar en daarmee moet met de interpretatie van de resultaten rekening worden gehouden. De resultaten suggereerden dat voor vrouwen met een verandering in het BRCA1 gen het risico op borstkanker zo’n 20% hoger is bij langdurig pilgebruik in vergelijking met BRCA1 mutatiedraagsters die niet de pil gebruikten. Ditzelfde verband tussen pilgebruik en het risico op borstkanker is voor vrouwen zonder genetische mutatie al langer bekend. Alleen is voor vrouwen zonder BRCA1/2 mutatie het risico op borstkanker nog laag op de leeftijd waarop de pil wordt gebruikt, terwijl dit risico bij BRCA1/2 mutatiedraagsters al in de 20-er jaren begint op te lopen.

Als we uitgaan van het algemeen bekende risico, komt het erop neer dat na vijf jaar pilgebruik tussen de 20 en de 25 jaar bij 1 extra vrouw vóór het 45e jaar borstkanker wordt gevonden onder 285 BRCA1 mutatiedraagsters. Als vrouwen in totaal tien jaar gebruiken, dus tot 30 jaar doorgaan, wordt dat 1 op de 75 BRCA1 mutatiedraagsters. Voor vrouwen met een verandering in het BRCA2 gen waren de resultaten minder eenduidig. Bij vrouwen zonder mutatie zou tien jaar pil gebruik (20-30 jaar) neerkomen op 1 extra borstkanker diagnose vóór het 45e jaar onder zo’n 1300 vrouwen.

De borstkanker die vrouwen met een BRCA2 mutatie ontwikkelen lijkt meer op die in de algemene bevolking dan de borstkanker van BRCA1 draagsters. De tumor is vaker oestrogeen/progestageen receptor positief bij vrouwen met een BRCA2 mutatie of zonder mutatie, terwijl BRCA1 mutatie draagsters vaker tumoren ontwikkelen die deze receptoren niet hebben. Lieske Schrijver, de onderzoeker in opleiding op dit project: ”we hadden daarom verwacht dat de resultaten voor BRCA2 mutatiedraagsters meer zouden lijken op wat voor andere vrouwen, zonder mutatie, bekend is, maar we zagen dat juist duidelijker bij BRCA1 mutatie dragers”.

Achtergrond van het onderzoek
Projectleider mw dr. Matti Rookus van het Het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam,  coördineerde een grote internationale studie op dit gebied. Onderzoekers uit Europa, Australië en Amerika werkten samen om het effect van de pil bij BRCA1/2 mutatiedraagsters te bestuderen. Deze vrouwen hebben door een mutatie in het BRCA1 of BRCA2 gen een sterk verhoogd risico op zowel borstkanker als eierstokkanker. De volgende stap is het mogelijk beschermende effect van de pil op eierstokkanker te onderzoeken en de gezamenlijke effecten tegen elkaar af te wegen. Hierbij zal ook worden betrokken dat veel BRCA1/2 mutatiedraagsters op den duur preventief de eierstokken laten verwijderen. Er bestaat namelijk geen methode om eierstokkanker in een vroeg stadium op te sporen.

Voor BRCA1 mutatiedraagsters lijkt de associatie tussen ‘de pil’ en het risico op borstkanker dus vergelijkbaar met die in de algemene bevolking. Tijdens het gebruik en bij langduriger gebruik van ‘de pil’ neemt het risico op borstkanker iets toe. Na het stoppen met ‘de pil’ verdwijnt dit verhoogde risico weer. Daarom wordt kort pilgebruik op jonge leeftijd voor BRCA1/2 mutatie draagsters voor anticonceptiedoeleinden niet afgeraden. Maar langdurig gebruik, vaak doorslikken tijdens de stopweek of pilgebruik voor andere indicaties lijkt niet de voorkeur te verdienen.

In deze studie werd de hormoonspiraal (bv. Mirena) niet onderzocht. In de algemene bevolking laten de hormoonspiraal en ‘de pil’ vergelijkbare effecten op het risico op borstkanker zien. Daarom lijkt de hormoonspiraal voor de BRCA1 mutatiedraagsters geen voor de hand liggend alternatief. Niet-hormonale middelen zouden een alternatief kunnen bieden als men ‘de pil’ al langdurig gebruikt en het verhoogde risico wil vermijden. Voor BRCA2 mutatiedraagsters is er minder bewijs voor een verhoogd borstkanker risico na orale anticonceptie, maar kan een verhoogd risico nog niet uitgesloten worden.

Vanuit Nederland droeg het Hereditair (=Erfelijk) Borst- en eierstokkanker Onderzoek Nederland (HEBON studie) bij aan het internationale onderzoek. HEBON is een samenwerkingsverband tussen alle Universitaire Medische Centra en het Antoni van Leeuwenhoek. Het onderzoek was mogelijk dankzij de medewerking van een groot aantal vrouwen uit hoog-risico families, de registratie teams van de Kankerregistratie van het Integraal Kankercentrum Nederland en het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) en dankzij subsidies van Pink Ribbon en TRANSCAN/de Nederlandse Kankerbestrijding (KWF).