Risico voor personen zonder (aangetoonde) BRCA mutatie

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Risico op borst- en eierstokkanker' en 'Risico voor BRCA1/2 mutatie dragers'

Als bij een familielid uit een familie met een aangetoonde BRCA1 of BRCA2 mutatie deze mutatie niet wordt gevonden, betekent dit dat deze man of vrouw geen drager is van de familiaire aanleg voor kanker. Het risico op borstkanker en op eierstokkanker is dan ongeveer gelijk aan het risico dat iemand uit de Nederlandse bevolking heeft op het krijgen van kanker (= sporadische kanker).

Als in een familie waarin veel borst- en/of eierstokkanker voorkomt géén BRCA1 of BRCA2 mutatie wordt gevonden, is dat een ander verhaal. In die situatie kan er sprake zijn van een toevallige samenloop van kanker in de familie, maar er kan ook een erfelijke oorzaak voor kanker zijn die nu nog niet kan worden vastgesteld. Het gaat dan misschien om een nog onbekend gen, of om een combinatie van andere factoren die aanleiding geven tot een verhoogde kans op kanker in de familie. Binnen de familie kan dan ook niet worden nagegaan wie wel en wie geen drager is van de (nog onbekende) erfelijke aanleg, dus er kan geen onderscheid gemaakt worden tussen wie wel en wie niet een verhoogd risico loopt. Op basis van de familiestamboom wordt dan een schatting gemaakt van het risico op het krijgen van borstkanker en/of eierstokkanker voor de familieleden. In de meeste gevallen zijn deze risico's lager dan voor een BRCA mutatiedraagster, maar wel verhoogd ten opzichte van een gemiddelde vrouw in Nederland. Om een betere schatting van het risico te kunnen geven in de families waarin geen BRCA1 of BRCA2 aanleg is aan te tonen, wordt er momenteel nationaal en internationaal onderzoek gedaan. Het gaat hierbij o.a. om een zoektocht naar nog onbekende genetische veranderingen die het verhoogde risico veroorzaken.

Halverwege de jaren negentig kwam BRCA1/2 erfelijkheidsonderzoek beschikbaar. Het DNA-onderzoek in het laboratorium was toen nog zeer arbeidsintensief en dus ook heel duur. Daarom kwamen op dat moment alleen families voor de DNA-test in aanmerking waarin heel veel en heel jong borst- en eierstokkanker voor kwam en het risico zeer sterk verhoogd was. In die tijd werd bij 1 op de 3 families een BRCA1 of BRCA2 mutatie gevonden als verklaring voor de kanker. Inmiddels is testen minder tijdrovend en duur en zijn de criteria voor DNA-diagnostiek versoepeld. Tegenwoordig worden dus ook families onderzocht waarin de kans om een erfelijke oorzaak te vinden wat kleiner is: men vindt nu een mutatie bij 1 op de 10 nieuw verwezen families. Als gevolg hiervan is het risico op kanker in families waarin een BRCA mutatie wordt gevonden de afgelopen 15 jaar uit elkaar gaan lopen: de spreiding in risicogetallen is groter geworden. Dit is dus het gevolg van wie wel en wie niet door de jaren heen voor DNA-diagnostiek in aanmerking zijn gekomen en niet het gevolg van een echte risicoverlaging. Uiteindelijk zegt het voorkomen van kanker in de eigen stamboom nog het meest over het risico dat men in de familie kan verwachten. Onderzoek richt zich op het verkrijgen van betere voorspellingen van het risico op basis van stamboominformatie van families, waarvan bekend is dat BRCA1/2 geen rol speelt.

Lees verder onder 'Risico voor BRCA1/2 dragers'