Regelmatige controles

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Methoden borstcontroles'

Voor vrouwen uit families met een verhoogd risico op het krijgen van borstkanker en eierstokkanker (met of zonder BRCA genmutatie) bestaan verschillende preventie mogelijkheden. Standaard wordt aan deze groep vrouwen regelmatige controles van de borsten aangeboden om tumoren vroeg op te kunnen sporen en daarmee een hogere kans op genezing te geven. Daarnaast is er mogelijkheid om preventieve operaties van borsten en/of de eierstokken te laten doen, lees hier meer over onder ‘Preventieve operaties’.

Controle op borstkanker
Regelmatige controle van de borsten (ook wel ‘screening' genoemd) heeft als doel eventuele tumoren in een zo'n vroeg mogelijk stadium te ontdekken. Het vroeg ontdekken van borstkanker geeft een grotere kans op genezing. Screening is mogelijk binnen het bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Voor vrouwen met een verhoogd risico, is screening ook mogelijk buiten het bevolkingsonderzoek om. De adviezen voor screening zijn afhankelijk van de hoogte van het risico op borstkanker dat een vrouw heeft en van haar leeftijd. Hieronder wordt het bevolkingsonderzoek naar borstkanker en borstkankerscreening voor vrouwen uit families met een verhoogd risico besproken.

Bevolkingsonderzoek naar borstkanker
In Nederland is het voor alle vrouwen tussen de 50 en 75 jaar mogelijk om zich één keer in de twee jaar te laten controleren op borstkanker met behulp van mammografie. Indien een mogelijke afwijking wordt ontdekt wordt de vrouw naar een ziekenhuis doorverwezen voor nadere diagnostiek. 

Lb2JU_L7CmE
Film over borstcontroles

Borstcontroles voor vrouwen uit families met een verhoogd risico
Bij vrouwen uit families met een verhoogd risico wordt controle buiten het algemene bevolkingsonderzoek geadviseerd. Ook kunnen deze vrouwen kiezen voor een preventieve operatie. Het controle advies is afhankelijk van het geschatte risico om borstkanker te krijgen. Voor vrouwen die niet eerder borstkanker hebben gehad, zijn met name de volgende factoren van belang voor de risico-inschatting:
  • Of er sprake is van een BRCA mutatie,
  • Of er eerder is bestraald op borstklieren en borstkas (meestal i.v.m. lymfeklierkanker),
  • Of er hormonale therapie is gebruikt,
  • Hoe de familiegeschiedenis (het voorkomen van kanker in de familie) is.
Grofweg wordt het advies voor controle voor vrouwen die geen borstkanker hebben gehad in drie groepen ingedeeld:
  1. Screening bij een matig verhoogd risico. Dit is op basis van de familiebelasting voor borstkanker en als de vrouw langer dan 10 jaar hormonale therapie heeft ontvangen.
    • Vanaf 40-50 jaar, jaarlijks mammografie die aan te vragen is door de huisarts.
    • Vanaf 50-75 jaar, deelname aan het bevolkingsonderzoek.
  2. Screening bij sterk verhoogd risico. Dit risico wordt gebaseerd op de familiebelasting voor borstkanker.
    • 35-60 jaar, jaarlijks een mammografie en klinisch borstonderzoek door een specialist.
    • 60-75 jaar, deelname aan het bevolkingsonderzoek.
  3. Screening bij een zeer sterk verhoogd risico. Er is sprake van een zeer sterk verhoogd risico als de vrouw: draagster is van een BRCA1, BRCA2 of een andere hoogrisico mutatie (TP53, PTEN), als er een sterke familiebelasting voor borstkanker is en erfelijkheidsonderzoek (nog) niet is uitgevoerd of geen bekende mutatie heeft aangetoond of als er eerder bestraald is op borstklieren en borstkas (meestal i.v.m. lymfeklierkanker).
    • Tussen 25 en 30 jaar: jaarlijks borstonderzoek door een specialist en jaarlijkse MRI van de borsten.
    • Tussen 30 en 60 jaar: jaarlijks borstonderzoek door een specialist en jaarlijkse MRI en mammografie van de borsten.
    • Vanaf 60 tot 75 jaar: screening via het bevolkingsonderzoek. In de praktijk worden veel vrouwen blijvend via de Polikliniek Familiaire Tumoren gecontroleerd. 
Andere risicogroepen
  • Als een mutatiedraagster al behandeld is voor borstkanker en nog borstklierweefsel heeft, gelden in principe de bovenstaande controle-adviezen voor hoogrisico groepen. Vrouwen die pas na hun borstkanker mutatiedrager blijken te zijn, worden voor een advies op maat verwezen naar een oncologisch specialist van de Polikliniek Familiaire Tumoren.
  • Als erfelijkheidsonderzoek bij een vrouw met eerder borst- en/of eierstokkanker geen mutatie in BRCA of ander hoog-risico gen aantoont, dan wordt via de afd. Klinische Genetica in samenspraak met de Polikliniek Familiaire Tumoren een advies voor verdere controles gegeven.
Omdat de familiegeschiedenis in de loop van de tijd kan veranderen, is het wenselijk om in dat geval opnieuw contact op te nemen met de eigen specialist, de Afdeling Klinische Genetica of de Polikliniek Familiaire Tumoren (waar het erfelijkheidsonderzoek is verricht).

Effectiviteit aanvullende controles
Het is op dit moment nog onduidelijk of controles buiten het bevolkingsonderzoek om zorgen voor overlevingswinst. Verder onderzoek naar de meerwaarde van deze extra screening is belangrijk en vindt op dit moment plaats via de Afdelingen Klinische genetica en de Poliklinieken Familiaire Tumoren. Deze werken op nationaal en internationaal niveau samen om de kennis over de voor- en nadelen van screening bij hoog-risicogroepen te vergroten.

De verschillende manieren om de borsten te controleren, zoals de mammografie en MRI worden hier besproken.

Borstvoeding en screenen
Hoelang je het beste borstvoeding kunt geven is een lastige afweging, speciaal voor een vrouw met een sterke familiebelasting, zoals een BRCA1/2 mutatiedraagster. Tijdens een zwangerschap en tijdens de borstvoeding wordt er namelijk geen controle van de borst gedaan. In die periode is de dichtheid van het borstklierweefsel namelijk nog veel sterker verhoogd dan deze normaal bij een jonge vrouw al is. Een hoge dichtheid geeft aan dat de borst in verhouding veel bind- en klierweefsel en weinig vetweefsel heeft. Op een mammogram (röntgenopname van de borst) is het bind- en klierweefsel wit, maar een tumor ook. Daarom is het lastiger om bij dicht borstklierweefsel een eventuele tumor te onderscheiden van het normale borstweefsel. Tijdens zwangerschap en de periode van borstvoeding wordt in principe geen controle met mammografie verricht enerzijds omdat een afwijking makkelijk gemist kan worden en dan een vals gevoel van veiligheid geeft, maar ook omdat soms iets gezien wordt waarbij later blijkt dat er niets aan de hand is (‘fout positieven’). Een andere reden om geen controle met mammografie uit te voeren tijdens zwangerschap is de stralenbelasting voor het kind. Voor MRI geldt hetzelfde: door de hoge hormonale activiteit van het borstklierweefsel tijdens borstvoeding, wordt tumoren detecteren moeilijker en loopt de kans op fout-positieven op. Routine-matig screenen met echografie is eveneens niet aan te raden. Echter, indien de vrouw tijdens zwangerschap of de periode van borstvoeding een afwijking voelt moet dit zeer serieus onderzocht worden. In eerste instantie zal een gerichte echografie gedaan worden en eventueel ook een mammogram en een MRI. In Nederland wordt in het algemeen niet zo lang borstvoeding (gemiddeld 3-6 maanden) gegeven. Zo’n periode lijkt te overbruggen zonder borstcontrole met MRI/mammografie.
Harde gegevens over de effectiviteit van screeningsmethoden tijdens borstvoeding zijn niet te verwachten, daarvoor komt borstkanker in deze periode te weinig voor, ook onder mutatiedraagsters. Gezond verstand moet dus de leidraad zijn. Het lijkt bijvoorbeeld aan te raden dat als er na een zwangerschap nog een kinderwens bestaat, eerst een aantal menstruaties af te wachten en borstcontrole te laten doen, voorafgaande aan een nieuwe zwangerschap. Het duurt ongeveer 3 maanden voor het borstklierweefsel na stoppen van de borstvoeding, “tot rust” gekomen is. Na deze periode is de effectiviteit van screenen naar verwachting weer genormaliseerd.


Waarom geen controles meer op eierstokkanker
Screening op eierstokkanker is helaas niet effectief voor het vroegtijdig ontdekken ervan. In het verleden werd bij vrouwen uit families met een verhoogd risico wel jaarlijkse gynaecologische screening verricht. Dit gebeurde met behulp van gynaecologisch onderzoek, echografie en de bepaling van CA125 in het bloed. Met deze screening werd echter in de meeste gevallen eierstokkanker pas in een gevorderd stadium ontdekt. Onderzoekers in Nederland en vele andere landen kwamen tot dezelfde conclusie. De huidige screeningsinstrumenten zijn niet in staat eierstokkanker vroegtijdig op te sporen en biedt slechts schijnveiligheid. Daarom wordt (wereldwijd) gynaecologische screening niet meer geadviseerd als een manier om sterfte aan eierstokkanker te voorkomen. De enige effectieve optie om sterfte aan eierstokkanker te voorkómen is het vroegtijdig laten verwijderen van eierstokken en eileiders.

NjysEoSFcMQ
Film over eierstokcontroles


Lees verder onder 'Methoden borstcontroles'