Risicofactoren voor borstkanker

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Leefgewoonten en andere risicofactoren' en 'Risicofactoren voor eierstokkanker'

Risicofactoren voor borstkanker in de algemene bevolking
Het risico om in de loop van het leven borstkanker te krijgen ligt in de algemene bevolking in Nederland op 12%. Familiaire aanleg is één van de sterkste risicofactoren voor borstkanker. Wanneer een vrouw een BRCA1 of BRCA2 mutatie draagt heeft zij een risico van 60%-80% om ooit in haar leven borstkanker te krijgen (zie ook onder ‘Risico voor BRCA1/2 mutatie dragers').
Naast de familiaire belasting kunnen ook bepaalde leefgewoonten met het risico op borstkanker samenhangen. Veel van deze factoren zijn echter moeilijk te beïnvloeden en afhankelijk van andere omstandigheden. Zo heeft een vrouw die op jonge leeftijd haar eerste kind krijgt een lager risico dan een vrouw die kinderloos blijft. Het risico onder vrouwen met kinderen wordt echter weer hoger naarmate de vrouw ouder is bij de geboorte van het eerste kind. Overigens is het risico op borstkanker lager wanneer langduriger borstvoeding is gegeven.
Andere risicofactoren die de vrouw zelf kan beïnvloeden zijn: gebruik van hormonen, alcoholgebruik, overgewicht, en gebrek aan lichaamsbeweging (zie voor een beschrijving van alle risicofactoren www.kanker.nl).

Risicofactoren voor borstkanker bij vrouwen uit families met een verhoogd risico
Hieronder wordt de invloed van risicofactoren besproken voor BRCA1 en BRCA2 dragers en voor vrouwen uit belaste families waarin geen mutatie is gevonden.
Het is op dit moment nog onduidelijk waarom de ene vrouw uit een familie met een verhoogd risico borstkanker krijgt op jonge leeftijd terwijl iemand anders dit pas op latere leeftijd krijgt of zelfs helemaal niet. Er wordt aangenomen dat andere factoren dan de BRCA1 of BRCA2 mutatie hierop van invloed zijn. Welke dat zijn is nog onduidelijk en dus een belangrijke reden voor onderzoek. Voorlopig wordt ervan uitgegaan dat de hierboven genoemde risicofactoren in de algemene bevolking, eenzelfde effect hebben bij erfelijk belaste vrouwen. Dat dit in absolute zin een groter risico kan betekenen onder de familair belaste groep, wordt hier met een voorbeeld uitgelegd. Uit onderzoek onder mutatiedraagsters is onder andere naar voren gekomen dat de mate van familiebelasting, de leeftijd, de generatie waarin een vrouw is geboren, een eerdere borstkankerdiagnose en een preventieve eierstokverwijdering invloed kunnen hebben op het risico op borstkanker. Deze factoren zijn hieronder beschreven.

Familiegeschiedenis
Nu veel families kleiner zijn dan vroeger, hebben vrouwen minder eerstegraadsfamilieleden waaruit de familiaire belasting zouden kunnen blijken. Bij de wat grotere families is het volgende naar voren gekomen. BRCA mutatiedraagsters met een sterke familiegeschiedenis lijken zelf ook een iets hoger risico te hebben dan draagsters voor wie de familiebelasting minder opvallend is. Naarmate een mutatiedraagsters meer eerstegraads familieleden (moeder, zus of dochter) met borstkanker heeft, is dus waarschijnlijk ook haar eigen risico groter. Bij draagsters die 1 eerstegraads familielid (moeder, zuster of dochter) met borstkanker hebben, is het risico bijna verdubbeld vergeleken met vrouwen bij wie dit niet het geval is. Voor mutatiedraagsters met meer eerstegraads familieleden met borstkanker neemt het risico verder toe. Aan de andere kant betekent dit, dat het risico lager uitvalt voor mutatiedraagsters die verschillende eerstegraads familieleden hebben, maar geen met borstkanker in het verleden.
Voor vrouwen uit families met een verhoogd risico (maar geen BRCA mutatie) zijn ook risicoschattingen gemaakt op basis van het aantal familieleden met borstkanker en de leeftijd waarop deze familieleden borstkanker kregen. Zo wordt er geschat dat als een vrouw 2 eerstegraads familieleden heeft die tussen hun 30e en 40e levensjaar zijn gediagnosticeerd met borstkanker, zij een risico van 44% heeft om gedurende haar leven borstkanker te krijgen. Dit wordt verlaagd naar 25% als de 2 familieleden pas tussen hun 50e en 60e borstkanker kregen (zie ook: ‘Risico voor personen zonder (aangetoonde) BRCA mutatie').


Leeftijd
Het risico voor een mutatiedraagster om voor het 30e jaar al borstkanker te krijgen is klein (1-2%). Vanaf het 30e jaar stijgt het risico tot ongeveer het 50e jaar, vanaf het 50e jaar stijgt dit risico ook nog, maar minder snel. Het risico op het krijgen van borstkanker voor een mutatiedraagster blijft wel hoger dan voor een vrouw uit de algemene bevolking. Bij een BRCA2 mutatiedraagster lijkt het risico op borstkanker op een iets oudere leeftijd te gaan stijgen dan bij een BRCA1 mutatiedraagster, en stijgt het mogelijk ook langer door.

Generatie
Vrouwen uit recent geboren generaties blijken een wat hoger risico te lopen dan vrouwen uit eerdere generaties. Bijvoorbeeld: een vrouw geboren na 1950 heeft op haar 50e jaar meer kans dat bij haar borstkanker wordt gediagnosticeerd dan een vrouw geboren vóór 1950. Dit is in de algemene bevolking zo, maar binnen de BRCA1 en BRCA2 families is dit effect nog wat sterker. Gedeeltelijk wordt dit door de verbeterde borstcontroles verklaard, hierdoor wordt de ziekte eerder, in een vroeger stadium en dus op jongere leeftijd, ontdekt (zie ‘Regelmatige controles'). Een andere verklaring is dat in al die jaren de leefgewoonten zijn veranderd waardoor het borstkankerrisico wat is toegenomen (minder kinderen op latere leeftijd, hormoongebruik, minder lichaamsbeweging e.d.).

Eerdere borstkanker diagnose
Voor een vrouw die in het verleden borstkanker heeft gehad, is het risico op het krijgen van opnieuw borstkanker in de andere borst (ook wel aangeduid met de term ‘contralateraal') wat verhoogd. Bij vrouwen met een aangetoonde BRCA mutatie gaat men ervan uit dat het risico op een contralaterale borstkanker 2-3% per jaar is (in vergelijking met 0.7-1% per jaar voor een vrouw met een niet-erfelijke borstkanker). Dit risico hangt samen met de leeftijd waarop eerste borstkanker werd vastgesteld, met aanvullende behandeling met hormonale medicijnen en of de vrouw al in de overgang is of niet.

Andere factoren spelen mogelijk ook een rol, maar onderzoek moet dit verder uitwijzen. In nationaal en internationaal onderzoeksverband wordt daarom het effect van de risicofactoren voor borstkanker, zoals bekend in de algemene bevolking, onder BRCA1 en BRCA2 draagsters bestudeerd.

Lees verder onder 'Risicofactoren voor eierstokkanker'