Mogelijke testuitslagen

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Erfelijkheidsonderzoek'

Als het DNA van een persoon onderzocht is op een mutatie in het BRCA1 of BRCA2 gen kan de testuitslag ‘gunstig', ‘ongunstig', 'onduidelijk' of ‘niet-informatief' zijn. Een niet-informatieve uitslag kan alleen voorkomen wanneer de persoon die getest wordt de eerste is uit de familie. Daarom is het allereerst belangrijk om onderscheid te maken tussen personen uit een familie waarin een mutatie al eerder is vastgesteld en personen die als eerste in een familie DNA-diagnostiek laten doen.

Familie met een aangetoonde BRCA1 of BRCA2 mutatie
Wanneer iemand behoort tot een familie waarin al eerder een BRCA mutatie is aangetoond, wordt deze persoon alleen getest op de mutatie die al in de familie bekend is.
Dit kan leiden tot twee uitkomsten:
  1. De aanleg, de mutatie wordt ook bij de geteste persoon gevonden. Dit is een ongunstig testresultaat. Als de geteste persoon een gezonde vrouw is, betekent dit dat ze een sterk verhoogd risico heeft op het krijgen van borstkanker en eierstokkanker. Hierop wordt verder ingegaan onder ‘Risico voor BRCA1/2 dragers'. De geteste persoon zal geadviseerd worden over de verschillende mogelijkheden van controles en preventieve maatregelen. Kijk voor meer informatie onder ‘Regelmatige controles' en 'Preventieve operaties'. De risico's en consequenties liggen anders als het een man betreft, zie ook ‘Mannen en BRCA'.
  2. De mutatie wordt niet bij de geteste persoon gevonden. Dit is een gunstig testresultaat. Voor de gezonde persoon gelden dan ongeveer dezelfde risico's op borst- en eierstokkanker als voor een ‘gemiddelde vrouw' in Nederland. Extra controles buiten het bevolkingsonderzoek zijn voor die personen meestal niet meer nodig. Als de geteste persoon een vrouw is die eerder borst- of eierstokkanker heeft gehad, dan wordt binnen het team van specialisten overlegd of nog extra erfelijkheidsonderzoek nodig is (BRCA1 en BRCA2 genen volledig onderzoeken en eventuele andere genen).
Personen die voor het eerst op BRCA1 en BRCA2 wordt getest
Wanneer nog niet eerder erfelijkheidsonderzoek in de familie is verricht, wordt bij voorkeur gestart met DNA-onderzoek bij iemand die al is behandeld voor borst- of eierstokkanker. Bij haar/hem is namelijk de kans om een mutatie te vinden groter dan bij familieleden die geen kanker hebben (gehad). Bij deze persoon worden het BRCA1 gen en BRCA2 gen tegelijk volledig onderzocht op mutaties. Er zijn dan drie uitkomsten mogelijk:
  1. Bij de geteste persoon wordt een mutatie in het BRCA1 of BRCA2 gen gevonden: een 'duidelijke uitslag'. Hiermee is bewezen dat de kanker een erfelijke oorzaak had. Hiermee wordt ook duidelijk dat familieleden drager kunnen zijn van deze BRCA1 of BRCA2 mutatie. Afhankelijk van de situatie heeft de geteste persoon een verhoogd risico op het (opnieuw) krijgen van borstkanker of eierstokkanker. Hier wordt verder op ingegaan onder ‘Risico voor BRCA1/2 mutatie drager'. Als de geteste persoon een vrouw is zal zij informatie krijgen over de verschillende mogelijkheden voor controle en preventieve maatregelen, zie verder onder 'Regelmatige controles' en 'Preventieve operaties'. Als het een man betreft, liggen de risico's en consequenties anders, zie ook ‘Mannen en BRCA'. Voor bloedverwanten van de geteste persoon is het nu mogelijk om zich ook te laten testen op de BRCA1 of BRCA2 mutatie die in de familie voorkomt (zie ‘Familie met een aangetoonde BRCA1 of BRCA2 mutatie' hierboven). Vanuit de afdeling klinische genetica wordt een 'familiebrief' opgesteld met informatie over de in de familie aangetoonde aanleg, die kan helpen om familieleden (zussen, broers, ouders, ooms, tantes, neven, nichten) te informeren over de gevonden erfelijke aanleg.
  2. Er wordt geen mutatie in de BRCA genen gevonden (dit is een 'niet-informatieve testuitslag'). In deze situatie is er dus geen erfelijke verklaring gevonden voor de borst- en/of eierstokkanker bij de onderzochte persoon en/of in de familie. Het grootste deel van de nieuw verwezen families (90%), krijgt deze uitslag te horen. Dit kan zowel als een opluchting als een teleurstelling worden ervaren: er blijft onzekerheid bestaan want een erfelijke oorzaak kan niet worden uitgesloten. Vanuit de afdeling klinische genetica wordt op basis van het voorkomen van kanker in de familie (de ‘familiestamboom’) beoordeeld of onderzoek bij andere familieleden of onderzoek naar een mutatie in andere genen (zoals TP53 en PTEN) zinvol is. In de meeste gevallen blijft de familie in onzekerheid, omdat er geen duidelijke oorzaak is gevonden voor het vaker optreden van kanker in de familie. In deze families is dragerschapsonderzoek bij gezonde familieleden niet mogelijk, aangezien men de veroorzakende factor niet kent. Er wordt een advies gegeven over controles voor de familieleden aan de hand van het geschatte risico op borst- en/of eierstokkanker op basis van de opgestelde familiestamboom. Zie verder onder ‘Risico voor personen zonder (aangetoonde) BRCA mutatie'.
  3. Er wordt een DNA afwijking gevonden waarvan nog niet duidelijk is of deze een verhoogd risico op kanker geeft, of dat het om een onschuldige variant gaat: een ‘onduidelijke uitslag’. Dit wordt met een technische term een ‘unclassified variant’ (UV) genoemd. In die gevallen wordt per familie beoordeeld of dit reden is voor aanvullend onderzoek in de familie, om meer duidelijkheid te krijgen. Als er een sterk vermoeden is dat de DNA een verhoogd risico geeft, worden strengere controleadviezen gegeven, maar preventieve operaties zijn meestal niet aan de orde. DNA-dragerschapsonderzoek bij familieleden wordt niet aangeboden, zolang niet zeker is dat de gevonden DNA-afwijking samenhangt met erfelijke kanker. In de praktijk lijkt deze situatie dus het meest op de ‘niet-informatieve uitslag’ die hierboven beschreven werd.
De geteste persoon ontvangt de DNAuitslag via de Afdeling Klinische Genetica / Polikliniek Familiaire Tumoren. Afhankelijk van de situatie (testuitslag, geslacht, leeftijd, eerder kanker gehad of niet) kan de persoon naar verschillende specialisten worden doorverwezen. Zo kunnen dragers/draagsters verder geïnformeerd wordt over controles, preventieve ingrepen of andere onderzoeken. Het advies komt tot stand na overleg door een team van verschillende betrokken specialisten. Hierbij wordt rekening gehouden met de individuele factoren van de persoon en eventuele voorgeschiedenis van kanker.

Veel wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan met betrekking tot ‘hoogrisico' families; zowel de BRCA1 en BRCA2 families, als de families waarin tot nu toe geen erfelijke oorzaak is gevonden. Soms worden DNA-variaties (unclassified variants, UV's) in BRCA1 of BRCA2 gevonden, waarvan de betekenis voor het risico op borst- en eierstokkanker niet duidelijk is (zie 'Erfelijke kanker'). Door meerdere familieleden te testen, die borst- of eierstokkanker hebben gekregen, kan soms meer duidelijkheid worden verkregen. Ook kunnen door wetenschappelijk onderzoek nieuwe DNA-afwijkingen en nieuwe genen ontdekt worden die tot nu toe onbekend waren. Recente ontwikkelingen zijn het CHEK2 gen en het PALB2 gen. Dit soort vervolgonderzoek neemt vaak veel tijd in beslag en ook hierbij is het van groot belang internationaal samen te werken. Op die manier kan informatie van families met vergelijkbare veranderingen worden gecombineerd, zodat meer duidelijkheid ontstaat over genetische veranderingen en of die een verhoogd risico geven op kanker of niet.


Lees verder onder 'Risico op borst- en eierstokkanker'