Erfelijke kanker

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Erfelijkheid en kanker' en 'Ontstaan van kanker'

Genen

De aanleg voor erfelijke kanker kan worden doorgegeven via de genen. Daarom wordt eerst kort besproken wat genen zijn. Ons lichaam bestaat uit miljarden cellen, en deze cellen hebben allemaal een kern. In deze kernen ligt ons erfelijk materiaal opgeslagen. Dat erfelijk materiaal is door de microscoop zichtbaar als chromosomen, de dragers van ons erfelijk materiaal. Normaal zijn er 46 chromosomen, verdeeld over 23 chromosomenparen (elk paar bestaat uit één chromosoom afkomstig van de moeder en één afkomstig van de vader). Chromosomen bestaan grotendeels uit DNA (desoxyribonucleïnezuur), en het DNA is wat onze eigenlijke erfelijke code bevat. Elke DNA streng is een keten van miljoenen bouwstenen, gerangschikt in een bepaalde volgorde. Er zijn maar vier bouwstenen, aangeduid met A,G,T en C. De volgorde van deze bouwstenen in het DNA wordt ‘sequentie' genoemd en bevat alle erfelijke informatie, bijvoorbeeld om een eiwit te maken. Eiwitten zijn belangrijk voor het normaal functioneren van het lichaam. Het stuk DNA sequentie, dat de code geeft voor een bepaald eiwit, wordt een ‘gen' genoemd. De mens heeft ongeveer 20.000 genen die samen alle informatie bevatten die noodzakelijk is voor onze groei, ontwikkeling en voortplanting. Van de meeste genen heeft een mens dus twee exemplaren, één afkomstig van de moeder en één afkomstig van de vader.

Erfelijkheid van kanker
Tijdens de celdeling kunnen er fouten in het DNA ontstaan, bijvoorbeeld een verandering in de bouwsteenvolgorde in een gen, dit heet een mutatie. Veel mutaties hebben weinig invloed omdat ze maar in enkele lichaamscellen voorkomen, of omdat ze de erfelijke code (en dus de functie van een eiwit) in een gen niet echt verstoren. Dit is te vergelijken met een drukfoutje in een recept in een kookboek, waardoor het recept niet echt verandert. Sommige mutaties hebben echter wel ingrijpende gevolgen doordat het noodzakelijke eiwit niet gemaakt wordt of niet goed werkt. In zo'n geval kan een mutatie bijdragen aan de ontwikkeling van kanker.

Als iemand drager is van een mutatie, bijvoorbeeld in het BRCA1 gen, dan betekent dit dat deze afwijking voorkomt in alle cellen van het lichaam, dus ook in de geslachtscellen (eicellen of zaadcellen). En mutaties die in de eicel of zaadcellen aanwezig zijn, kunnen worden doorgegeven worden aan een kind. Dan is er sprake van een overerfbare mutatie of "kiembaan-mutatie".

De erfelijkheid van borst- en eierstokkanker: de BRCA1 en BRCA2 genen
Het BRCA1 gen ligt op chromosoom 17 en BRCA2 op chromosoom 13. De eiwitten, die door de BRCA1 en BRCA2 genen gemaakt worden, spelen een rol bij het herstel van beschadigd DNA. Als iemand een mutatie heeft in één van deze genen, functioneert dit herstel niet goed, waardoor er een verhoogde kans is op ongecontroleerde celgroei.

De BRCA1 en BRCA2 genen werden in 1994 en 1995 ontdekt bij borstkankerpatiënten uit families waarin heel veel borstkanker voorkwam (BRCA staat dan ook voor BReast CAncer). Later bleek dat een vrouw met een mutatie in het BRCA1 of BRCA2 gen, naast een verhoogd risico op borstkanker, ook een sterk verhoogd risico heeft op eierstokkanker.

De BRCA mutatie kan via de eicel van de moeder of de zaadcel van de vader aan het kind worden doorgegeven. De kans dat een mutatiedrager de aanleg doorgeeft is 50% bij elke zwangerschap. Als een dochter de mutatie heeft geërfd, heeft zij op volwassenleeftijd een sterk verhoogd risico op kanker. Als een zoon de aanleg erft, ligt dat risico veel lager.



In de afgelopen jaren zijn heel veel verschillende mutaties in de BRCA1 en BRCA2 genen ontdekt die een verhoogd risico op borst- en eierstokkanker geven. Men weet echter dat DNA-onderzoek nog niet alle mutaties, ook in mogelijke andere genen, kan opsporen en onderzoek om dit te verbeteren is nog volop gaande. Een andere onduidelijkheid is waarom juist het borst- en eierstokweefsel zo gevoelig is voor de veranderingen in de BRCA1 en BRCA2 genen. Ook is het niet duidelijk waarom de ene persoon borst- of eierstokkanker krijgt op jonge leeftijd en de andere (bijvoorbeeld een zus of nicht of tante) pas op oudere leeftijd. Het wetenschappelijk onderzoek richt zich o.a. op de functie van de eiwitten die door het BRCA1 en het BRCA2 gen worden gecodeerd. Daarnaast wordt er gekeken naar andere factoren die mogelijk het risico op borst- en eierstokkanker kunnen verhogen zoals; het effect van de plaats van de mutatie in het gen, veranderingen in andere genen, omgevingsfactoren en een combinatie van al deze factoren samen. Voor dit onderzoek is informatie van een groot aantal mutatiedraagsters nodig. Daarom is de Hebon studie landelijk opgezet en werkt Hebon wereldwijd samen in grote internationale onderzoeken.

‘Ongeclassificeerde varianten'
Van veel mutaties (dus veranderingen in de DNA code) in het BRCA1 en BRCA2 gen is bekend dat deze het risico op borst- en eierstokkanker verhogen. Maar er komen ook mutaties in deze genen voor, waarvan (nog) niet duidelijk is of ze het risico op kanker verhogen of niet. Deze veranderingen worden ‘ongeclassificeerde varianten' (UV’s of VOUS) genoemd. Wereldwijd wordt door onderzoekers samengewerkt om meer duidelijkheid te krijgen over deze nog onduidelijke varianten in de BRCA genen.

Mutaties in andere genen
Nadat BRCA1 en BRCA2 ontdekt waren, bleek al snel dat deze genen lang niet alle families met borstkanker verklaarden. Daarom zochten onderzoekers verder naar andere genen die erfelijke borstkanker kunnen veroorzaken. In de afgelopen 20 jaar is het ‘BRCA3 gen’ niet gevonden en wetenschappers vermoeden nu dat zo'n gen niet bestaat of anders in ieder geval zeer zeldzaam is. Naast BRCA1 en BRCA2 zijn er ondertussen wel andere genen in verband gebracht met erfelijke borstkanker. Maar deze genen hangen in veel gevallen ook samen met andere vormen van kanker of geven een veel lager risico op borstkanker. Voorbeelden hiervan zijn TP53, PTEN, STK11, CDH1, MEN1, NF1, PALB2 en ATM. In de praktijk wordt gekeken hoe vaak kanker in de familie voorkomt en welke soort kanker dat is. Op basis hiervan kan bepaald worden of het zinvol is om ook onderzoek van deze andere genen te verrichten.

Eén ander gen is recent wel toegevoegd aan het standaard DNA onderzoek dat wordt ingezet als erfelijke borstkanker wordt vermoed, en dat is het CHEK2 gen. Van dit gen is al langer bekend dat het samenhangt met een verhoogd risico op borstkanker, maar onduidelijk was nog hoe hoog dat risico was, en waar het risico van afhing. Gebleken is dat voor draagsters het risico afhankelijk is van of er borstkanker er in de familie voorkomt, en ook of iemand de mutatie in enkelvoud of in tweevoud heeft. De uitslag is dus minder ‘eenvoudig’ dan bij het BRCA1 of BRCA2 gen. Dat betekent dat ook familieonderzoek anders loopt dan bij BRCA1/2.