Borstkanker

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Behandeling borstkanker'

Borstkanker (mammacarcinoom) is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. In 2010 kregen in Nederland ongeveer 13.000 vrouwen borstkanker. De kans dat een vrouw in de loop van haar leven borstkanker krijgt is ongeveer 12% (1 op de 8-9 vrouwen). Vrouwen die draagster zijn van een BRCA1 of BRCA2 mutatie hebben een veel hoger risico om in de loop van hun leven borstkanker te krijgen; namelijk tussen de 60 en 80%. Voor vrouwen uit families met een belasting voor borstkanker maar waarbij middels erfelijkheidsonderzoek geen BRCA mutatie gevonden wordt, is het risico op borstkanker ook verhoogd en bedraagt afhankelijk van de mate van familiebelasting 15-30%, dan wel 30-40%. Daarom worden aan deze vrouwen extra controles, buiten het bevolkingsonderzoek, aangeboden om borstkanker in een vroeg stadium te ontdekken en de kans op genezing te vergroten. Bevolkingsonderzoek borstkanker wordt aan alle vrouwen in Nederland aangeboden vanaf het 50ste levensjaar en betekent een mammografie elke 2 jaar. Door wetenschappelijk onderzoek bij hoog-risico vrouwen inclusief vrouwen met een BRCA mutatie is meer bekend geworden over de toegevoegde waarde van het MRI onderzoek bij de vroege opsporing van borstkanker. Meer informatie over regelmatige controles kunt u vinden onder ‘Regelmatige controles’. Ook is dankzij wetenschappelijk onderzoek en nieuwe behandelingsvormen, de behandeling van borstkanker door de jaren heen sterk verbeterd. Lees hieronder meer over het ontstaan van borstkanker en meer over de behandeling onder ‘Borstkanker behandeling'. Borstkanker bij mannen is uiterst zeldzaam (in 2010 vastgesteld bij 94 mannen in Nederland), maar komt in de hoog-risico families naar verwachting vaker voor. Lees meer bij ‘Mannen en BRCA'.

De borst en borstkanker
De borst bestaat uit veel melkklieren (=lobjes met melkproducerende cellen) die verbonden zijn door melkgangen (=ductus) leidend naar de tepel. Het omliggende weefsel in de borst dient voornamelijk tot steun en bestaat uit vet- en bindweefsel. Borstkanker ontstaat meestal in de melkgangen (ductale tumor), maar kan ook in de lobjes (lobulaire tumor) ontstaan. Als kankercellen worden ontdekt voordat ze zijn doorgegroeid in het omliggende weefsel, gaat het om een voorstadium van borstkanker (geeft geen uitzaaiingen), wat ‘in situ' kanker wordt genoemd. Dit kan zowel in de melkgang (ductaal carcinoma in situ, DCIS), als in de lobjes (lobulair carcinoma in situ, LCIS) voorkomen. Deze verandering is niet als knobbel te voelen en wordt meestal vastgesteld op een mammografie (als kalkspatten). Als kankercellen zich verder ontwikkelen en door de weefsels van de melkgangen of melkklieren heen groeien, is er sprake van borstkanker (=invasieve tumor) die op een bepaald moment ook als afwijking (knobbel) in de borst te voelen is.

Lees verder onder 'Behandeling borstkanker'