Erfelijkheid en kanker

Andere hoofdstukken binnen dit onderwerp: 'Ontstaan van kanker' en 'Erfelijke kanker'

Bij ongeveer 5-10% van alle borstkankers is erfelijkheid de belangrijkste oorzaak bij het ontstaan ervan. Bij de overige 90-95% spelen vooral andere factoren een rol, die soms samengaan met een erfelijke aanleg. Kankercellen kunnen ontstaan als beschadigde cellen zich ongeremd gaan vermenigvuldigen. Meer over het ontstaan van kanker kunt u vinden onder 'Ontstaan van kanker'.

In 1994 en 1995 werden twee genen ontdekt die een directe relatie met borst- en eierstokkanker hebben: het BRCA1 en het BRCA2 gen (BRCA staat voor BReast CAncer). Vrouwen met een afwijking (mutatie) in één van deze twee genen hebben een sterk verhoogd risico op borst- en eierstokkanker. Wanneer een man drager is, leidt dat zelden tot de ontwikkeling van borstkanker. De BRCA genmutatie kan door mannen en vrouwen worden doorgegeven, aan zowel hun dochters als hun zonen. Lees meer over erfelijkheid en de BRCA genen onder ‘Erfelijke kanker'. In een familie kan het vermoeden bestaan dat er sprake is van een erfelijke aanleg voor borst- en eierstokkanker, als deze kankers meer dan gebruikelijk voorkomen binnen een familie of op zeer jonge leeftijd. Er kan dan gekozen worden om erfelijkheidsonderzoek te laten doen, om te kijken of er inderdaad sprake is van een BRCA mutatie. Een aantal jaren later werd ontdekt dat het CHEK2 gen ook borstkanker kon veroorzaken. Eerst werd gedacht dat hiermee het derde borstkankergen was gevonden, maar dit bleek niet het geval te zijn: mutaties in het CHEK2 gen geven een minder groot risico dan BRCA. Behalve wanneer een vrouw deze mutatie dubbel heeft, dan kan het risico net zo groot zijn als bij BRCA. Informatie over het erfelijkheidsonderzoek kunt u vinden onder ‘Erfelijkheidsonderzoek'.